Daden van aanbidding

Imam Muhammad Ibn Salih al-‘Uthaymeen (d 1421 H) heeft gezegd:

“Oprechtheid (Ikhlaas) tegenover Allah betekent
dat de persoon ernaar verlangt om door zijn aanbidding
nabijheid tot Allah, de Verhevene, te verwerven
en om Zijn Edele Verblijf (m.a.w. het Paradijs) te bereiken.
Daardoor moet de dienaar oprecht zijn tegenover Allah,
de Verhevene, om dit doel te bereiken.
Hij moet oprecht zijn in zijn liefde voor Allah.
Hij moet oprecht zijn in zijn lofprijzing tegenover Allah.
Hij moet zowel uiterlijk als innerlijk oprecht zijn
tegenover Allah, de Verhevene.
Hij streeft met zijn verering niets anders na
dan het Aangezicht van Allah, de Verhevene,
en het bereiken van Zijn Edele Verblijf.”
[1]

Al-‘Allamah Muhammad Ibn Salih al-‘Uthaymeen:

“En opdat het geweten zou zijn, o Broeders, dat Al-Mutaba’ah niet kan worden uitgeoefend tenzij de daad overeenstemt met de Shari’ah in zes zaken:

Ten eerste: As-Sabab (reden, motief):
Wanneer een persoon Allah vereert met een daad van aanbidding die vergezeld wordt door een motief dat niet is toegestaan in de Shari’ah, dan is dat een innovatie die wordt teruggeworpen op de pleger. Een voorbeeld hiervan is wanneer sommige mensen de zevenentwintigste nacht van Rajab gedenken, vanwege het feit dat dit de nacht was waarin de Boodschapper van Allah (vrede en zegeningen over hem) ten hemel werd opgenomen. Tahajjud (het Nachtgebed) is uiteraard aanbidding. Wanneer het echter gepaard gaat met dit motief, wordt het een innovatie. Dat is zo omdat deze daad van aanbidding wordt verricht op basis van een motief dat niet door de Shari’ah werd bevestigd. En deze omschrijving – de overeenstemming van de aanbidding met de Shari’ah wat het motief betreft – is een belangrijke aangelegenheid die opheldering brengt over heel wat innovaties waarvan men denkt dat ze tot de Sunnah behoren terwijl dat niet zo is.

Ten tweede – Al-Jins (type, soort):
Het is absoluut noodzakelijk dat de daad van aanbidding conform de Shari’ah is in zijn Jins (type). Als iemand dus aanbidding verricht met een daad van aanbidding die niet werd verordend, dan wordt deze niet aanvaard. Een voorbeeld hiervan is wanneer iemand een paard zou slachten. Dat offer zou niet correct zijn, omdat het in zijn type tegen de Shari’ah in gaat. Bloedoffers kunnen enkel worden verricht met grazend vee, kamelen, koeien en schapen.

Ten derde – Al-Qadr (hoeveelheid):
Als iemand dus de verplichte gebeden vermeerdert, zeggen wij dat dit een innovatie is die niet wordt aanvaard, omdat ze in hoeveelheid tegen de Shari’ah in gaat. Zoveel te meer is het gebed, bij overeenstemming, niet correct wanneer iemand voor het middaggebed bijvoorbeeld vijf eenheden bidt.

Ten vierde – Al-Kayfiyyah (manier, wijze waarop):
Als iemand de kleine wassing verricht en daarbij begint bij zijn voeten, daarna veegt hij over zijn hoofd, dan wast hij zijn handen en zijn gezicht, dan zeggen wij dat zijn Wudhu nietig is? omdat ze tegen de Shari’ah ingaat op het niveau van de werkwijze.

Ten vijfde – Az-Zaman (tijd):
Als iemand slacht tijdens de eerste dagen van Dhul-Hijjah? wordt zijn bloedoffer niet aanvaard omdat het qua tijd strijdig is met de Shari’ah. En ik heb gehoord dat sommige mensen tijdens de Ramadan schapen slachten om door een bloedoffer nader tot Allah te komen. Deze handeling, op die manier, is dus een innovatie omdat er in het slachten niets ligt dat nader tot Allah brengt, tenzij het bloedoffer, geschenken en de ‘Aqiqah. Wat het slachten in de Ramadan betreft – waarbij men gelooft beloning te verwerven voor het slachten zoals bij het bloedoffer bij ‘Eid al-Adha – of het slachten omwille van het vlees, dan is dat toegestaan.

Ten Zesde – Al-Makan (plaats):
Als iemand elders dan in een moskee I’tikaf verricht, dan is zijn I’tikaf niet correct. Dat is omdat I’tikaf nergens kan voorkomen, tenzij in moskeeën. En als een vrouw zegt : “Ik wil I’tikaf verrichten in de Musalla (gebedsruimte) van het huis”, dan is haar I’tikaf niet correct, vanwege de tegenstelling met de Shari’ah wat de plaats betreft. Tot de voorbeelden hiervoor hoort de man die de Tawaf wil verrichten. Dan blijkt dat de plaats van Tawaaf te eng is geworden en dat alles wat errond ligt te eng is geworden, dus begint hij zijn Tawaaf van achter de moskee. Dan zal zijn Tawaaf niet correct zijn, omdat het Huis de plaats voor de Tawaaf is.

Een daad van aanbidding mag dus niet als een rechtschapen daad worden beschouwd tenzij er is voldaan aan twee voorwaarden. De eerste is al-Ikhlas (oprechtheid) en de tweede al-Mutaba’ah (de Profeet navolgen). En aan al-Mutaba’ah wordt enkel voldaan aan de hand van de zes bovenvermelde zaken.” [2]

Voetnoten: [1]: Zie Majmu’ Al-Fatawa (7/112) van Ibnul-‘Uthaymien [2]: Zie Majmu’ Al-Fatawa (5/253-254) van Ibnul-‘Uthaymien

Bron: “Six Conditions of Ibadah” (Zes voorwaarden van Ibadah)
door Sheikh Muhammad bin Salih al-‘Uthaymeen
Khadejah Jones – Share Islam Team Nieuwsbrief van http://www.islamswomen.com

 

 

________________________________________________

Dit is een vertaling van een van  de vele boeiende
en leerrijke nieuwsbrieven van http://www.islamswomen.com

________________________________________________

 

Dit bericht werd geplaatst in islamswomen nieuwsbrief, je geloof en getagged met , , , , . Maak dit favoriet permalink.