Vrouwelijke islamgeleerden

 

Vrouwelijke islamgeleerden…
Het is tijd dat ze weer gaan bloeien!

Auteur: Dr. Mohammad Omar Farooq
Vertaald met toestemming van de auteur, die je ook graag zijn email adres geeft: farooqm59@yahoo.com.
Bron: Monthly Message International (August-September 2003)

Sinds ik me bewust ben geworden van de Islam enerzijds en de hedendaagse sociale realiteit anderzijds, heb ik me vaak gestoord aan het feit dat er in zoveel opzichten een enorme afgrond gaapt tussen de onderrichtingen van de Islam en de sociale uitdrukking ervan. Een belangrijk onderwerp waar die afgrond duidelijk aanwezig is, is die van gender(on)gelijkheid. Nadat ik in het huwelijksbootje was gestapt met mijn geliefde echtgenote en daarna door twee prachtige dochters ben toegetreden tot de ouders-club, kon ik niet anders dan die geslachtsgebonden aangelegenheden van naderbij te bekijken.

Doorheen de jaren bleef ik gretig om steeds meer te leren over deze onderwerpen. Ik raakte echter meer en meer teleurgesteld toen ik rechtstreeks van de Koran, uit literatuur over de Koran, Hadieth, Sierah en geschiedenis ontdekte dat waar wij over het algemeen aan vasthouden – en vanuit onze tradities verdedigen en verspreiden – in verband met geslachtsgebonden onderwerpen scherp contrasteert met de visie van de Koran, Profeet en de overleveringen.

Quran and Hadith

Onder het religieuze establishment van de Islam, en daardoor ook onder de gewone moslims, leeft een algemeen verspreid idee dat de Islam de mannen hoger inschat dan vrouwen. Zelfs in het beroemde en zeer gewaardeerde Urdu commentaar van Sayyid Abul Ala Maudoodi op de Koran (Tafhimul Qur’an) wordt vers 34 van Soera an-Nisa foutief vertaald als: “Mannen zijn superieur over vrouwen … niet in de zin dat zij boven hen staan qua eer en uitmuntendheid…” (Engelse vertaling door Ch. Muhammad Akbar, Islamic Publications, Lahore, 1997 ed. Vol. 1, pag 121 – Nota: een meer recente vertaling door Islamic Foundation, UK vertaalt dit anders). Ook al werd er enige verduidelijking toegevoegd in de eerste vertaling, toch blijft de uitdrukking “mannen zijn superieur over vrouwen” – in welke zin dan ook – bedenkelijk, want als je eer en uitmuntendheid van die “superioriteit” uitsluit, wat betekent die superioriteit dan wèl en waarop steunt ze dan?

Hij heeft inderdaad, zonder enige acht te slaan op aangeboren verschillen, volgende commentaar op vers 13 van Soerah al-Hujurat gegeven: “…In deze (islamitische) samenleving wordt geen onderscheid gemaakt op basis van kleur, ras, taal of nationaliteit. …” We horen onder de indruk te zijn van Maulana Maudoodi’s duidelijke nadruk op de verregaande gevolgen van het vers dat de fundering van elk idee van superioriteit of uitmuntendheid onderuit haalt. Zou het dan echter niet goed zijn om ook het geslacht in die lijst op te nemen? Nogmaals, tenzij we bereid zijn te aanvaarden dat wat de Koran verkondigt – “Voorwaar, de meest edele van jullie is bij Allah degene die het meest (Allah) vreest” (49:13) – enkel op mannen slaat, is het niet meer dan islamitisch dat het commentaar van Maulana Maudoodi, inclusief het genderonderscheid, als volgt had moeten luiden: “…In deze (islamitische) samenleving wordt geen onderscheid gemaakt op basis van kleur, ras, taal, nationaliteit of geslacht…”

De moslims nemen routinematig
het standpunt in dat de Islam
geen oneerlijk onderscheid toestaat
op basis van kleur, ras, taal of nationaliteit.
Jammer genoeg slagen we er,
zelfs in het huidige tijdperk van genderbewustzijn,
niet in om de Islam te handhaven
en voor te stellen in overeenstemming
met de volledige reikwijdte van de visie
van de Koran en de nalatenschap van de Profeet.

Niet zo lang geleden belde een vriend uit Los Angeles in Californië (hij geeft daar les aan de universiteit) me op en beklaagde zich onder andere over het feit dat zijn nochtans toegewijde moslim-familie in de plaatselijke moskee zo moeilijk kamers kon krijgen met geschikte en voldoende ventilatie. Zijn een beetje natuurlijk licht en wind dan zo gevaarlijk voor de spirituele gezondheid en het welzijn van onze vrouwen en van onszelf?

Er zijn heel wat moslimlanden waar vrouwen die onderweg zijn voor hun dagdagelijkse behoeften weinig of geen gelegenheid vinden om de wassing te verrichten en te bidden. Enkele jaren geleden maakte ik deel uit van het Shoera (raadgevend) comité van een van de Islamitische Centra in de Verenigde Staten. Na stemming door de gemeenschap werd de verkozen voorzitter van de Shoera bijgestaan door zijn vrouw (eveneens verkozen als lid van het comité) in de Shoera. Tijdens de allereerste vergadering stond één van de broeders op en vertrok, om zijn eigen godsvrucht te beschermen en zijn stil maar meer dan opvallend protest kenbaar te maken. Hij vreesde blijkbaar dat de aanwezigheid van de zuster, zelfs in het bijzijn van haar echtgenoot, een schending van de Islam was.

Enkele jaren geleden bezocht ik een moskee in een van de staten van de Mid-West, in de Verenigde Staten. Ik stelde vast dat de wasruimte voor de mannen niet bepaald in orde was, maar het was nog leefbaar. Mijn jonge dochter, die naar de vrouwenafdeling was gegaan, kwam wat later echter huilend buiten door wat ze daar – door verwaarlozing of slecht onderhoud? – had aangetroffen. Ergens in Amerika weigerde een moslim taxichauffeur een niet-moslim vrouw als klant omdat ze een hond bij had. Dat ze blind was, maakte voor hem niets uit. De broeder gaf deze blinde niet-moslim vrouw, uit plichtsbesef (?), wel een geweldige preek. Al zijn er heel wat voorbeelden van het tegendeel, we zien toch enkele verontrustende patronen die de moslims zelf op een zelf-kritische en proactieve manier moeten aanpakken en grondig onderzoeken.

muslim woman in car

De alfabetiseringsgraad in moslimlanden is al niet schitterend, en die van vrouwen ligt disproportioneel lager. Dan hebben we het nog niet over de arme vrouwen in verschillende landen die geen bescherming genieten en wiens leven, eer en bezit voor iedereen te grabbel liggen. Vrouwen werden in de “Islamitische” Republiek Afghanistan, onder de Taliban, beroofd van hun professionele functies en taken buitenshuis. Dan doen de moslimvrouwen het in Iran in vergelijking heel wat beter, maar het hoogste niveau van de religieuze hiërarchie is er nog steeds niet bepaald enthousiast over de algemene evolutie van de samenleving. In het hart van de Islam, zoals Mekka en Medina, dat wordt gecontroleerd door een van buitenaf opgelegde dynastie en gedomineerd door het Wahabisme, hebben vrouwen niet eens het recht een wagen te besturen. (*) Dat is zo ironisch en schandalig, omdat de heilige stad Mekka zelf werd gesticht dankzij de moedige en voorbeeldige strijd en opoffering van een vrouw, in haar eentje: Hadjar, de vrouw van Ibrahiem en de moeder van Ismaël (vrede zij over hen beiden). Maar nu heeft een vrouw er niet eens het recht zelf een wagen te besturen.

In ernst nu. We horen zo vaak over vrouwen die de doodstraf krijgen voor buitenechtelijke seksuele relaties. Over het algemeen zijn de vrouwen de dupe van orthodoxe Sharia-regels, ook al weten we allemaal dat vrouwen, zelfs na een verkrachting, om allerlei redenen niet zo gemakkelijk overgaan tot het indienen van een aanklacht. In heel wat landen is het de gewone gang van zaken dat aan vrouwen het recht op eigendom en erfenis wordt ontzegd. Wanneer het gaat om persoonlijke en familiale aangelegenheden slagen vrouwen er zelden in om, zelfs tegenover hun eigen verwanten, hun rechten veilig stellen. In veel moslimlanden zijn vrouwen voortdurend onderhevig aan lichamelijk, vaak dodelijk, geweld dat door het merendeel van de maatschappij wordt geduld en door de vingers gezien als een persoonlijke aangelegenheid. Kwetsbare vrouwen worden voortdurend uitgehuwelijkt als toevoegsel aan de verzameling van hun echtgenoot, en willekeurig ook weer gescheiden volgens de grillen van hun echtgenoten. Met elkaar gecombineerd, maken en houden de bestaande wetten, waarden, gebruiken en machtsstructuren vrouwen zwak, kwetsbaar, gemarginaliseerd en zelfs verdrukt.

Uiteraard zijn vrouwen totaal afwezig in het belangrijke pleidooi om de islamitische wetten en codes te vormen en te hervormen. Islamitische bewegingen in verschillende delen van de wereld bezingen de vooruitgang die ze hebben geboekt met hun strijd voor de vrouwen in verband met de Islam, en voeren daarbij vergeefs aan dat de Islam rechtmatig als de betere wordt beschouwd in de omgang met die vrouwenrechten. Terwijl ze nog in het duister tasten over de vraag of vrouwen zich nu wel of niet moeten bedekken (gezichtsbedekkende Niqaab), hebben ze er geen enkel probleem mee dat mannen voetbal spelen in (zij het dan wat langere) shorts! In sommige moslimlanden dringen regerende islamitische partijen er nog steeds koppig op aan dat vrouwen ook hun gelaat moeten bedekken.
Ze kunnen dan wel uiterst toegeeflijk zijn in het interpreteren van de Islam wanneer het over politieke correctheid gaat, maar op het vlak van vrouwenzaken moeten ze zich van hun meest conservatieve kant tonen. Veel dergelijke organisaties ijveren voor gescheiden onderwijsinstellingen voor vrouwen en voor aparte islamitische vrouwenorganisaties. Tegelijkertijd blijven islamitische partijen in heel wat moslimlanden op een veilige afstand – zonder veel steun, zeker niet van de vrouwen – omdat ze te kampen hebben met uitdagingen van heel wat inlandse, venijnig anti-islamitische feministen. Het is inderdaad zo dat een volledige nieuwe generatie van mannen en vrouwen opgroeit met de diepgewortelde indruk – en zelfs overtuiging – dat de Islam op het vlak van de genderproblematiek zwaar bevooroordeeld is. Er zijn islamitische BEWEGingen die helemaal niet in staat lijken om zich in een hedendaagse context te BEWEGen.

Misschien moet ik duidelijk maken dat mijn argumenten en meningen hierover dienen te worden toegepast binnen een islamitische context. Wanneer ik bijvoorbeeld verwijs naar de manier waarom Jamaat-e-Islami in Bangladesh erop aandringt dat vrouwen de sluier moeten dragen, dan is dat omdat ik vind dat voor die (gezichtsbedekkende) sluier in de Islam onvoldoende argumenten voorkomen en omdat die druk onaanvaardbaar is. Een dergelijk standpunt steunt op extreem conservatisme, vooral op het vlak van gendervraagstukken. Sta me toe nu ook andere vragen aan te voeren. Zijn mannen volgens de Islam echt meer waard dan vrouwen? Waarom hebben we geen vrouwelijke islamitische geleerden, specialisten en Mujtaahids (rechtsgeleerden)? Hebben we om een oplossing te vinden voor de problemen van de vrouwen aparte scholen/universiteiten/moskeeën voor vrouwen nodig, en is dat eigenlijk wel islamitisch? Is het toegestaan dat vrouwen lezingen geven voor een gemengd publiek van Moslimmannen en -vrouwen? En hoe zit het wanneer je dat doet in een Islamitisch Centrum of een moskee?

Ik hoop dat ik niet al te veel alarmbelletjes heb laten rinkelen. Op grond van mijn studies van de Koran, Hadieth, Sierah en geschiedenis, ben ik al een hele tijd geleden tot het besluit gekomen dat wat we vandaag aanmoedigen, zowel in woord als in daad, meestal net het tegenovergestelde is van wat de Islam onderricht. Daarna ontdekte ik enkele jaren geleden toevallig het boek “Struggling to Surrender (Worstelen om me te Onderwerpen)” van een Amerikaanse bekeerling tot de Islam, Dr. Jeffrey Lang.
stugglingHet was een aangrijpend boek. Maar los van zijn rijkdom wat betreft zijn ervaringen die hij zo vrijmoedig deelde en zijn oproep tot nadenken, was het voor mij een belangrijke ervaring die me de ogen opende wat betreft gendervraagstukken. We zijn ons over het algemeen bewust van het feit dat moslimvrouwen, zoals Dames Aicha, Fatima, Khadiedja (moge Allah tevreden over hen zijn) en anderen, een belangrijke rol hebben gespeeld tijdens en meteen na het leven van de Profeet (vrede en zegeningen over hem). In dat boek stonden enkele korte verwijzingen naar een vergeten maar opvallende rol die de moslimvrouwen in de islamitische geschiedenis hebben gespeeld.

Ik was meteen diep geïnteresseerd en dus las ik de oorspronkelijke referenties: “Hadith Literature: Its Origin, Development, Special Features & Criticism (Hadiethliteratuur: Zijn oorsprong, ontwikkeling, bijzondere kenmerken & kritiek)” door Dr. Muhammad Zubayr Siddiqi, een overleden geleerde van de Universiteit van Calcutta (uitg. Cambridge: The Islamic Texts Society, 1993). Dit boek bevat een hoofdstuk met de titel: “Women Scholars of Hadith (Vrouwelijke hadiethgeleerden)” (pag 117-123) dat voor mij een ware blikopener was.

Voor het eerst realiseerde ik me een van de belangrijkste gebreken van het gedrag en denken van hedendaagse moslims in verband met gendervraagstukken. We weten allemaal dat we er nauwelijks in slagen om, behalve de enkele vrouwen die er met kop en schouders uitsteken in het eerste deel van het profetische tijdperk, een vrouwelijke geleerde te noemen. Het is algemeen bekend dat in deze eeuw onze islamitische geleerden, imams, specialisten en leiders van islamitische bewegingen NIET werden onderwezen door mannen EN vrouwen. Gaan we nog verder terug in de tijd, dan zien we dat bekende geleerden zoals Shah Waliullah Dehlavi en Sheikh Ahmad van Sarhind (beter bekend als Mujaddid Alf Sani) nauwelijks vrouwen onder hun leraren telden (corrigeer me als ik me vergis). Het was gewoonweg niet mogelijk, omdat “vrouwelijke islamgeleerden” – die in een publieke context les gaven aan mannen en vrouwen en van wie velen de besten van de besten van hun tijd waren, en niet alleen onder vrouwen – een uitgestorven soort zijn geworden.

Wat zeg ik? Mannen die over de Islam leren van mannen EN van vrouwen? Zeg me eens, is het niet zo dat de stichter van de Tablighi Jamaat (Maulana Muhammad Ilyas), de stichter van Ikhwaan al-Muslimoen (Sheikh Hasan al-Banna), de overleden hoofdmoefti van Saoedi-Arabië (Sheikh Ibn Bazz) of zelfs de stichter van Jamaate Islami (Sayyid Abul Ala Maudoodi) niet één enkele hedendaagse vrouwelijke geleerde onder hun leraars telden? Hoevelen van ons hebben ooit gehoord dat er periodes van meerdere eeuwen zijn geweest waarin de belangrijkst mannelijke islamgeleerden hun gemengde studentengroep (mannen en vrouwen) hebben aangemoedigd om een bepaalde tekst, zoals Sahih al-Bukhari of Sahih Muslim, te bestuderen met niemand minder dan een bepaalde vrouwelijke geleerde? Hebben we daar geen weet van, dan kunnen we het gedrag van deze generatie moslims en hun leiders, geleerden en mentors tegenover vrouwen beter begrijpen.

women scholars

De rol van vrouwelijke hadiethgeleerden is uniek in de geschiedenis van de mensheid voor onze moderne tijd. Er bestaat gewoon geen parallel voor deze bijzondere en waardevolle rol die vrouwelijke geleerden hebben gespeeld in het ontwikkelen, behouden en verspreiden van islamitische kennis. Met de woorden van Dr. Zubayr Siddiqi: “De geschiedenis registreert weinig wetenschappelijke initiatieven, toch niet voor de moderne tijden, waarin vrouwen zij aan zij met de mannen een belangrijke en actieve rol hebben gespeeld. De hadiethwetenschap vormt hierop een opvallende uitzondering. (…) De Islam heeft een groot aantal uitstekende vrouwelijke geleerden voortgebracht van wiens getuigenis en solide oordeel veel van het islamitische systeem afhangt. (…) Sinds de eerste dagen van de Islam speelden de vrouwen een prominente rol in het bewaren en doorgeven van Ahadieth, en deze functie duurde eeuwenlang. In elke periode van de geschiedenis van de moslims leefden talrijke eminente vrouwelijke hadiethgeleerden, die door hun broeders met ontzag en respect werden behandeld.“ (pag 117)

In het algemeen zijn moslims
vertrouwd met een handvol
vrouwelijke uitblinkers
uit de tijd van de Profeet.
Waar ze echter meestal niet vertrouwd mee zijn,
is het grote aantal vrouwelijke geleerden
gedurende vele eeuwen na de eerste generatie.
Dit is een onvergeeflijke fout van de Ummah.

Slechts het vermelden van enkele van hen zou al, hopelijk, onze interesse wekken om te leren over deze verwaarloosde dimensie van onze opmerkelijke geschiedenis. Weten we dat Umm al-Darda (+81 na Hidjra / 700 na Christus) door sommige van de toonaangevende hadiethgeleerden uit haar tijd werd beschouwd als “de meerdere van alle andere hadiethgeleerden van die tijd, inclusief de gevierde hadiethspecialisten zoals al-Hasan al-Basri en Ibn Sirin”? ‘Amra genoot vooral erkenning voor haar gezaghebbende kennis over tradities in verband met Aicha. Tot haar vele vooraanstaande studenten hoorde ook Abu Bakr ibn Hazm, de gevierde rechter van Medina, die van niemand minder dan Kalief Umar ibn Abd al-Aziz zelf het bevel kreeg om alle Ahadieth, overgeleverd op haar gezag, neer te schrijven. (pag 118)

Zaynab bint Sulayman (+142 nH / 759 nC) “verwierf een reputatie als een van de voornaamste vrouwelijke hadiethgeleerden van haar tijd, en ze telde heel wat belangrijke mannen onder haar studenten.” (pag 118) Bijna zonder uitzondering noemen de samenstellers van de belangrijkste hadiethcollecties een flink aantal vrouwelijke hadieth- en islamgeleerden als hun leraars. “Een onderzoek van de teksten leert ons dat alle belangrijke verzamelaars van overleveringen uit de vroegste periode veel daarvan ontvingen van vrouwelijke shuyukh (meervoud van sheikh): elke belangrijke verzameling geeft de namen van vele vrouwen als het rechtstreeks gezag voor de auteur. En toen deze werken eenmaal waren samengesteld, waren het de vrouwelijke traditie-geleerden zelf die ze zich eigen maakten en er lezingen over gaven aan grote groepen studenten, tegenover wie ze hun eigen Idjaaza’s (gezag) gebruikten.” (pag 118-119)

Het is zo jammer en ironisch dat nu net die hadiethliteratuur wordt gebruikt om vrouwen te verdrukken, om hen hun rol, rechten en status te ontzeggen en om hen op te sluiten in een hoekje bij de haard. Gedurende de vierde eeuw waren er vrouwelijke geleerden wiens lessen telkens werden bijgewoond door veel andere gereputeerde geleerden. Karima al-Marwaziyya (+463 nH / 1070 nC) is een van die namen die we met trots horen te kennen en gedenken. Ze “werd beschouwd als de hoogste instantie op het vlak van de Sahih van al-Bukhari in haar tijd. Abu Dhar van Herat, een van de belangrijkste geleerden van die tijd, hechtte zo veel waarde aan haar gezag dat hij zijn studenten adviseerde om de Sahih bij niemand anders dan haar te studeren, vanwege de kwaliteit van haar geleerdheid.” Tot haar studenten hoorde al-Khatib al-Baghdadi, een beroemd islamgeleerde en historicus. (pag 119)

Fatima bint Muhammad (+539 nH / 1144 nC) kreeg van de hadiethspecialisten uit haar tijd de “trotse titel van Musnida Isfahan (de grote autoriteit op het vlak van Hadieth uit Isfahan)” Shuhda ‘de Schrijver’ (+574 nH / 1178 nC) “was een beroemde kalligrafe en een hadiethgeleerde met een grote naam (…) Haar lezingen over de Sahih al-Bukhari en andere hadiethverzamelingen werden bijgewoond door enorme massa’s studenten, en vanwege haar uitstekende reputatie hebben sommige mensen zelfs ten onrechte beweerd haar studenten te zijn geweest.” (pag 119)

Sitt al-Wuzara werd beroemd als een autoriteit op het vlak van Bukhari. Haar veelgeprezen kennis omvatte ook de islamitische wetgeving. Ze werd gekroond tot “de musnida van haar tijd” en gaf in Damascus en Egypte publieke lezingen over de Sahih en andere werken. (pag 120)

In de veertiende eeuw gaf Zaynab bint Ahmad (+740 nH / 1339 nC) geregeld openbare lezingen over de Musnad van Abu Hanifa, de Shamail van al-Tirmidhi en de Sharh Ma’ani al-Athar van al-Tahawi. Herinneren we ons de grote reiziger Ibn Battuta? Hij studeerde Hadieth bij haar en verschillende andere vrouwen tijdens zijn verblijf in Damascus. (pag 120)

Leren werd door zowel mannen als vrouwen gedaan. Ook onderwijzen gebeurde door beiden en de omgeving waarin dat gebeurde was er absoluut geen van segregatie. Er waren gedurende die eeuwen nauwelijks vooraanstaande mannen die niet ook onderwijs hadden genoten van vrouwelijke geleerden. Bovendien waren dat geen geïsoleerde gevallen. Er was een groot aantal vrouwen wiens bijdrage op het vlak van leren en onderwijzen een eerbare traditie blijft en die we totaal hebben vergeten en genegeerd. Erger nog: velen van ons verzetten er zich hevig tegen.

De beroemde historicus van Damascus, Ibn Asakir, studeerde onder meer dan 1200 mannen en 80 vrouwen. Hij behaalde een speciale Idjaaza van Zaynab bint Abd al-Rahmaan voor de Muwatta van Imam Malik. De beroemde korancommentator Jalal al-Din al-Suyuti bestudeerde de Risala van Imam Shafi met Hajar bint Muhammad. Zaynab bint al-Sha’ri (524-615 nH / 1129-1218 nC) studeerde Hadieth onder verschillende belangrijke traditiegeleerden en onderwees op haar beurt heel wat studenten “van wie sommigen grote faam verwierven, waaronder Ibn Khallikan, de auteur van het beroemde biografisch woordenboek Wafayat al-Ayan.” (pag 120-121)

Nog meer berichtgeving over de bijdragen van vrouwelijke geleerden vinden we in de werken van Ibn Hajar, de auteur van het belangrijkste commentaar op Sahih al-Bukhari. In een van zijn werken brengt hij korte biografische verslagen van niet minder dan zowat 170 vooraanstaande vrouwen uit de achtste eeuw. De meesten van hen waren hadiethgeleerden en de auteur zelf had bij een groot deel van hen gestudeerd. Volgens hem stonden enkele van deze vrouwen bekend als de beste hadiethgeleerden van hun tijd. travelingJuwayriya bint Ahmad, bijvoorbeeld. Zij bestudeerde een reeks werken over Ahadieth onder zowel mannelijke als vrouwelijke geleerden. Daarna gaf ze les aan de grote universiteiten van die tijd en gaf ze beroemde lezingen rond verschillende islamitische disciplines, die een publiek van mensen met een grote reputatie aantrokken. Enkele van Ibn Hajars eigen leraren en heel wat van zijn tijdgenoten woonden deze uiteenzettingen bij. Een andere leraar van hem was Aicha bin Abd al-Hadi (723-816 nH). Ze werd beschouwd als de beste hadiethgeleerde van haar tijd. Studenten met allerlei achtergronden kwamen van ver “om aan haar voeten te zitten en de waarheden van de godsdienst te studeren.” (pag 121)

In “al-Daw al-Lami”, een biografisch naslagwerk over vooraanstaande personen in de negende eeuw, biedt Muhammad ibn Abd al-Rahman al-Sakhawi (830-897 nH / 1427-1489 nC) informatie over de grote vrouwelijke geleerden van die tijd. In een ander boek, “Mu’jam al-Shuyukh”, levert Abd al-Aziz ibn Umar ibn Fahd (812-871 nH / 1409-1466 nC) biografische notities over “1.100 van de leraren van de auteur, waaronder meer dan 130 vrouwelijke geleerden, bij wie hij heeft gestudeerd.” Vele van deze vrouwelijke geleerden waren uiterst befaamd en hebben heel wat grote geleerden van de volgende generatie opgeleid. (pag 121)

Er waren vrouwelijke geleerden wiens specialisatie veel verder reikte dan Ahadieth. “Umm Hani Maryam (778-871 nH / 1376-1466 nC), bijvoorbeeld, leerde de Koran uit het hoofd toen ze nog een kind was, maakte zich alle islamitische wetenschappen eigen die destijds werden onderricht – waaronder theologie, wetgeving, geschiedenis en spraakkunst – en ging dan op reis om Ahadieth te leren van de beste hadiethgeleerden van haar tijd, in Caïro en in Mekka. (…) Ze volgde een intensief studieprogramma aan de grote universiteit van Caïro, waar heel wat geleerden Idjaaza’s haalden. Ibn Fahd zelf heeft verschillende technische werken over Ahadieth bestudeerd onder haar leiding.” (pag 121-122) Aicha bin Ibrahim (760-842 nH / 1358-1438 nC) studeerde Ahadieth in Damascus en Caïro en “gaf lezingen waarvoor eminente geleerden van die tijd geen moeite spaarden om ze te kunnen bijwonen.” (pag 122)

Om verschillende redenen die onderwerp horen uit te maken van een ernstige studie “lijkt de betrokkenheid van vrouwen in de hadiethwetenschap, en in de islamitische disciplines in het algemeen, aanzienlijk te zijn teruggelopen vanaf de tiende eeuw na de Hidjra.” (pag 122) Er zijn nog verschillende andere biografische werken die de namen opsommen van vrouwelijke geleerden uit de daaropvolgende periode, maar in veel kleinere aantallen. En toch waren er vrouwen die, hoewel ze hoorden tot een bedreigde soort, doorgingen met hun waardevolle bijdragen te leveren. Asma bint Kamal al-Din (+ 904 nH / 1498 nC) had een enorme publieke invloed. Ze gaf openbare lezingen over Ahadieth en leidde vrouwen op in verschillende islamitische wetenschappen. Aicha bint Muhammad (+906 nH / 1500 nC) onderwees Ahadieth aan heel wat studenten. Ze gaf les aan de Salihiyya Universiteit van Damascus. (pag 122)

De laatste vrouwelijke topgeleerde in Ahadieth die we kennen, Fatima al-Fudayliya (ook gekend als al-Shayka al-Fudayliya), vestigde zich in Mekka. Ze stichtte er een rijk gevulde bibliotheek. “In de Heilige Stad werd ze (haar lezingen) bijgewoond door heel wat eminente traditiegeleerden, die haar lezingen bijwoonden en getuigschriften van haar ontvingen.” (pag 123)

De geschiedenis vertelt ons dat deze vrouwelijke geleerden “hun plaats in publieke instellingen innamen als studenten maar ook als leraars, zij aan zij met hun broeders in het geloof. De colofons van heel wat manuscripten tonen hen als studenten die grote gemengde lezingen bijwoonden, maar ook als leraars die regelmatig cursussen gaven.” Ook dit waren GEEN instituten die volgens geslacht gescheiden waren. “Op folio 250 ontdekken we dat een beroemde vrouwelijke hadiethgeleerde, Umm Abd Allah, in het jaar 837 nH / 1433 nC een cursus van vijf lezingen over het boek gaf aan een gemengde klas van meer dan vijftig studenten in Damascus.” (pag 123)

Hoewel we geen oppervlakkig verband mogen leggen tussen het verval van de islamitische beschaving enerzijds en het geleidelijk verdwijnen van vrouwelijke geleerden en de betrokkenheid van vrouwen anderzijds, toch is het nu eenmaal een feit dat onze collectieve basis voor kennis en erfgoed steunt op de trotse en edele bijdragen van de wetenschap van zowel mannen als vrouwen, van zowel studenten als leraars, zij aan zij. En het kan niet anders dan dat het verlies van vrouwelijke geleerden belangrijke gevolgen heeft het gehad.

De situatie van de moslimwereld in het algemeen,
en van moslimvrouwen in het bijzonder,
steekt schril af tegen de islamitische visie
en het islamitische erfgoed
die, na de Profeet (vzzmh),
eeuwenlang werden aangehouden.

Vandaag zijn moslimvrouwen slechts zelden welkom in het openbare leven en dan vooral in de moskee. Laat staan dat ze deel mogen uitmaken van onze pool van opvoeders, specialisten en mentors. Dit heeft onder de vrouwen in de moslimwereld tot heel wat ontgoocheling geleid en heeft sommigen van hen zelfs tot verbeten tegenstanders van godsdienst in het algemeen en Islam in het bijzonder gemaakt. De bestaande omstandigheden zijn een duidelijke aanfluiting van de islamitische leer en haar leiding. De afwezigheid van vrouwelijke geleerden heeft bovendien geleid tot een belangrijk onevenwicht in ons islamitische discours in het algemeen en in de islamitische wetgeving (Fiqh) in het bijzonder. Zo neigen we steeds meer naar de meest extreme beperkende standpunten, meningen en voorzieningen voor vrouwen.

In onze hedendaagse tijd zijn er moslimvrouwen, vooral opgeleid in het Westen of met een westerse achtergrond, die zichzelf vestigen als islamgeleerden. Dat is een erg bemoedigende ontwikkeling. Ze leveren belangrijke bijdragen aan een nieuwe nalatenschap van kwaliteitsvolle geleerden, vooral op het vlak van gendervraagstukken. Hoewel, hun verschijning komt niet vanuit de Islam zelf en de ruimere Moslimgemeenschap moet hen nog aanvaarden als onderdeel van de gevestigde religieuze orde tot wie ze zich wenden in hun zoektocht naar religieuze kennis. Uiteraard volhardt de religieuze gevestigde orde in haar orthodoxe verzet tegen een dergelijke ontwikkeling van vrouwelijke geleerdheid en deelname, om zo haar eigen traditionele positie veilig te stellen.

Om de vrouwen vanuit islamitisch perspectief op een gepaste manier te steunen, moeten ze als gelijkwaardigen ten volle deelnemen aan de samenleving, te beginnen bij vorming en geleerdheid. Het principe van de Shoera (wederzijdse consultatie) vereist dat de personen wiens leven wordt beïnvloed door de verschillende beslissingen/opinies van islamitische wetten ook ten volle deel uitmaken van dat belangrijke overleg. De vrouwen moeten zich meer interesseren aan, en de mannen moeten de toegang vergemakkelijken tot, de ontwikkeling van de vrouwen op het vlak van vorming en geleerdheid. De Moslimmannen moeten dergelijke veranderingen eisen, omdat ons islamitische streven naar positieve veranderingen nu eenmaal nooit compleet noch evenwichtig kan zijn zolang de vrouwen daarbij geen gelijkwaardige partners zijn. We moeten een omgeving koesteren waarin Moslimmannen, zij aan zij met vrouwen, zich kunnen toeleggen op hun islamitisch onderricht en discussie, als studenten en ook als leraars. We hebben nood aan vrouwen in alle gebieden van islamitische en andere studies, waar mannen in een competitieve omgeving moeten uitblinken. We moeten dit streven ernstig nemen, tot we bekwame vrouwelijke islamitische wetgeleerden (Mujtaahids) en wetenschappers hebben wiens inzet, zij aan zij met de mannen, het discours en de wetten van de Islam kan veranderen.

Hiervoor hebben we niets minder dan een revolutionaire verandering nodig, maar het is een must vanuit islamitisch perspectief. Het is alsof we de Islam in ons leven bovenste-onder zouden keren, omdat de Islam zoals we die nu zien en beoefenen ondersteboven was gekeerd. De moslims moeten zich verenigen om deze roemrijke traditie van vrouwelijke geleerden te laten herleven. Zonder hen zou onze samenleving fundamenteel gebrekkig en onevenwichtig zijn, wat zou blijken uit alle aspecten van ons leven. Dat is waarom we opnieuw vrouwelijke geleerden nodig hebben:

HET IS TIJD DAT ZE
WEER GAAN BLOEIEN!

bloemen

(*) Er is intussen een einde gekomen aan dat verbod.

 

Bibliografie:

Omaima Abou-Bakr, “Teaching the words of the prophet: Women instructors of the Hadith (fourteenth and fifteenth centuries),” Hawwa, Volume 1, Nummer 3, December 2003, pag. 306-328.
Ignaz Goldziger. “Women in the Hadith Literature,” Muslim Studies, Vol. 2, pag. 366-368
Ruth Roded. “Women in Islamic Biographical Collections: From Ibn Sa’d to Who’s Who” [L. Rienner, 1994]
Muhammad Zubayr Siddiqui. “Hadith Literature: It’s Origin, Development, Special Features and its Criticisms” [Cambridge: The Islamic Texts Society, 1993]

De Engelse tekst kan je hier downloaden. 

 

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in je omgeving en getagged met , , , , . Maak dit favoriet permalink.